Om twee schitteroogjes

Om twee schitteroogjes  

Toen ik nog een jong kind was, heb ik op school het boekje Om twee schitteroogjes van W.G. van de Hulst gelezen. Ik was er helemaal door ontdaan…
Ik kon niet begrijpen dat een personage in een boek zó wreed kon zijn! Ik begrijp ook nog steeds niet hoe een schrijver van degelijke kinderboeken het lijden van een gekooid vogeltje zo nauwgezet tot in detail kon beschrijven… Hoe hij het kon verzinnen… Het is niet voor niets dat het boekje op een gegeven moment niet meer herdrukt mocht worden…
Onderaan de beschrijving van het boekje, plaats ik enkele passages die mij diep hebben geraakt…
Op latere leeftijd heb ik van een oude dame een exemplaar van dit ontroerende boekje gekregen
(Zevende druk, 1934).
Ik heb het verhaal drie keer herlezen en elke keer had ik zo’n medelijden met het vogeltje waarover het gaat…
Op het Internet vond ik onderstaande informatie over dit indrukwekkende boekje:
Om twee schitteroogjes

Geschreven door W.G. van de Hulst
Met tekeningen van W.G. van de Hulst Jr.
Uitgever G. F. Callenbach N.V. - Nijkerk
Boek uit de Zilver-serie
Achtste druk 1939
Tweede druk ca. 1915. Tekeningen van O. Geerling
Eerste druk 1911
Bekroond door de Nederlandsche Zondagsschool Vereeniging
Vanwege de wrede scènes, gaven de erven van Van de Hulst geen toestemming voor een moderne herdruk van dit boek.
Korte inhoud:
Ries, zoontje van de schoenmaker, is bevriend met Dirk, de palfrenier van de baron. Eigenlijk is Ries bang voor hem, het is een wrede, gemene man. Zijn ouders hebben hem ook de omgang met Dirk verboden. Dirk slaat de paarden en ook Ries krijgt af en toe een klap.
Op een dag vliegt er een vogeltje de zolder op en Ries moet hem vangen van Dirk. Hij stopt hem in een kooitje en als het vinkje niet wil zingen, wil Dirk hem met een breinaald de oogjes uitsteken, omdat volgens hem een blinde vink beter zingt. Dit kan Ries niet verwerken. Hij denkt dat het zijn schuld is, dat het vinkje moet lijden, omdat hij hem immers gevangen heeft.
Bij grootmoeder op bezoek, vertelt hij het haar en zij raadt hem aan voor het vogeltje te bidden.
De volgende dag, als Ries door de bossen van de baron loopt, wordt hij achtervolgd door een man in een Indisch uniform. Het is de neef van de baron en hij denkt dat Ries aardbeien steelt. Hij geeft Ries met zijn sabel een pak voor z'n broek en Ries voelt zich, als het gevangen vogeltje zo bang.
Hij besluit het vogeltje te gaan bevrijden en sluipt stiekum naar de zolder, doch Dirk betrapt hem. Hij smeekt Dirk om het vogeltje niet blind te maken, doch als Dirk hem uitlacht en hij snel het kooitje grijpt, slaat Dirk hem met de zweep.

Huilend probeert Ries nu de baron te waarschuwen, doch deze luistert niet naar hem. 's Nachts sluipt Ries het huis uit, om nogmaals te proberen het vinkje te bevrijden, doch nu wordt hij door de Indische officier gesnapt, die hem niet wil geloven als hij zegt alleen maar het vogeltje te willen loslaten. Huilend en radeloos loopt Ries naar huis.
De volgende morgen, houdt er een rijtuig stil voor het schoenlappershuisje en daaruit stappen Dirk en de Indische officier, met het kooitje met de vink. De Indische man heeft alles onderzocht en Dirk moet nu het vogeltje aan Ries geven, omdat hij eerlijk is geweest en gebleken is, dat Dirk een wrede, nare man is. Gelukkig net op tijd! Het vinkje heeft zijn schitteroogjes nog! Ries is zo blij dat hij het vogeltje onmiddellijk de vrijheid geeft en heeft nu in zijn hart het heerlijke weten van een schepseltje gered te hebben.
Fragment uit het boek:
Ries krampte zijn oogleden samen, als voelde hij de gloeiende naald al komen. "Zo'n, zo'n..... o, ze moesten hem zelf z'n ogen uitbranden!....Die mooie schitteroogjes..... Ze kijken maar, en ze kijken maar, en ze weten 't niet."
Toen ineens sloeg een vreemde schrik weer in Ries' hart. "Jij hebt het gedaan, jij, jij bent eigenlijk de schuld", klonk het als een verwijt in z'n binnenste.
"Jij hebt het dier gevangen, het vastgehouden en het in de kooi gewrongen..... Nou kijken ze nog, die mooie oogjes, maar straks, dan..... dan zijn ze blind, voor altijd." Toen had hij 't dier kunnen redden, nou was 't laat!
Of?.....of?....
Domkop, die hij was! 't Was immers nog niet te laat. Hij had het dier gevangen, zou hij 't ook....? 't Raam stond open..... Bevend van zenuwachtige haast grepen zijn handen 't kooitje, zijn vingers zochten 't deurtje....
Stommelden daar klompen in den stal?.... Wat klemde dat ding, 't boog al, maar 't wilde niet open.... Kwam er iemand aan? Gauw dan! Gauw dan! Ries drukte 't kooitje tegen zijn knieën, rukte, wrong.... De vink spartelde woest in 't rond....
"Wat môt dat daar?" snauwde plotseling een nijdige stem..... "Wil je wel eens van dat ding afblijven!"....."Dirk!.... beneden...... gauw, gauw dan!" bonsde het door Ries' hoofd..... De tralies van 't kooitje knerpten, 't deurtje zat dichtgewrongen, wilde niet los.
"Hier dat ding.... Blijf af!" bulderde Dirk, die naar boven gewipt was, en Ries' oogmerk begreep. Hij vloekte, duwde Ries wild achteruit en rukte hem de kooi uit de handen.
Ries tuimelde bijna ondersteboven; hij greep zich vast aan de schoorbalk en bleef beteuterd staan kijken. Een ogenblik leek 't alsof zijn hoofd leeg was, alsof hij niets meer denken en niets meer begrijpen kon. Dat had zeker de schrik gedaan. "Valserd!... Je bent een gemene valserd!" barstte Ries opeens uit tegen Dirk en sprong op hem af, als wilde hij hem 't kooitje ontrukken. Hij gilde het uit: "Je zal het niet doen, je zal het niet doen...." Dirk greep Ries in den schouder en rukte hem terug. Hij vloekte.
Wild sloeg en trapte Ries met armen en benen om los te komen. "Los!" gilde hij, "laat me los..... valserd, valserd, die je ben!.... Los!" Zijn vuisten beukten Dirks borst, sloegen hem in 't gezicht.
Toen werd Dirk woedend. In zijn ogen gloeide onheilspellend dat valse licht..... Hij gaf den armen jongen een klap in zijn gezicht, dat hij met kooi en al tegen den vloer tuimelde; greep een zweep en ranselde Ries weer overeind. Nòg had de jongen 't kooitje vast..



Tot zover de informatie die ik vond op het Internet.
Hieronder kunt u enkele eigen selecties uit het verhaal lezen (in de oude spelling van 1934):

Blz. 12
Woest van angst fladderde ’t gevangen dier door de kooi, die niet veel grooter was dan een stoof. Wild klauwden de pootjes tegen de tralies; hier, dáár, overal waren ze; het bloederige snaveltje hakte onstuimig tegen de roestige spijlen, die maar niet wijken wilden; de vleugeltjes sloegen, beukten de kooi; kleine veertjes stoven rond….
Toen, eindelijk, smakte het diertje neer in een hoek, met wijd gespreide vlerken en hijgend borstje, het snaveltje bloedde.

Weer vloog ’t dier op; wilder nog dan straks stoof het rond in zijn enge gevangenis, viel neer, fladderde weer op, drie vier keeren nog…. Toen lag het neergezegen op de bodem van de kooi, toen konden de half-lam geslagen vleugeltjes niet meer, toen hapte het wijd open bekje naar lucht.

Blz. 14
Hij schrok toen hij ’t afgemarteld dier zag liggen. “Dirk, gaat-ie dood?....o, kijk eens gauw.”
Dirk grijnsde: “Doodgaan? Nou, dan was ’t nog niks; maar hij zal best bijkomen; ’t is zijn eigen schuld, dan moet-ie zich maar niet zoo dik maken.”
Ries stak zijn pink tusschen de tralies door, raakte behoedzaam het donzen lijfje aan, dat daar te sidderen lag, deed heel voorzichtig en schrikkerig nog, omdat ’t dier wel weer op kon stuiven.
’t Bleef liggen, ’t kón niet meer.
Alleen de oogjes blikten rond in hevige angst.
Ries zag die twee donkere schitterende kraaloogjes wijd open van bangheid rondstaren, als zochten ze uitkomst, die maar niet te vinden was. En heel diep in die glinsterende kijkertjes schenen kleine gouden lichtjes te gloeien…. dàn waren ze weg, dàn vlamden ze weer op, heel diep en heel klein.

Blz. 37
“De vink?”…. grijnsde Dirk…. “o, dat kopstuk zit maar als een rat in elkaar gedoken, ’t doet geen mond open nog…. ’t Hangt nou op zolder, Geurtsen wil geen beesten in de stal hebben…. maar ‘k zal die stijfkop wel krijgen, ‘k zal hem wel leeren zingen!”
“Hoe dan? Ga je hem vóórfluiten? Dat is een goed middel, dat helpt, zeggen ze.”
“Voorfluiten?”…. Dirk schaterlachte. “Voorfluiten, ja, met een gloeiende breinaald in z’n oogen zal ‘k hem voorfluiten. Blinde vinken zingen veel mooier dan andere. Je zal hem eens hooren….

Blz. 47 en 48
Die oogjes waren net kleine kraaltjes van zwart of blauw of groen glas, heel fijn, met levende hartjes van vuur…. en toch ook weer anders, maar mooi waren ze, niet te zeggen zoo mooi.
Opeens schrok Ries,…. daar lag ze, de breinaald, eene eind al blauwig gebrand, en een schaar,…. en een test met een kooltje vuur er in ook…. Ries voelde zich koud worden…. “Leelijkerd!” siste het door zijn tanden heen, “valsche leelijkerd!”

Blz. 48
Hij zag de heldere schitteroogjes glimmen; ze waren vochtig…. En ze keken, keken maar…. O, als ’t arme dier ’t eens wist…. O, wat zal het een pijn hebben, wat een vreeselijke pijn. Wat zal het de pootjes opklauwen van de pijn!
Die valscherd zal het in zijn harde, sterke knuisten nemen, het vastknijpen; dat kleine, bange kopje tusschen zijn vinger en zijn duim en dan…. dan….
’t Was Ries, of hij ’t zag gebeuren; dan…. dan zal hij zeker die gloeiende breinaald zóó maar in die zachte, weeke oogjes prikken, zóó maar! ’t zal sissen!
Een huivering liep langs Ries’ rug.
Wat zal ’t een pijn zijn, wat een vreeselijke pijn….! Je oogen uitbranden, hu!

Blz. 49
Blind! Dan is alles donker. Als Ries ’s avonds naar de donkere zolder moest, vond hij die duisternis daar altijd weer griezelig en zocht maar spoedig de lichtschijn van de trapopening. Blind! Dan zocht je ook naar iets lichts en iets vroolijks, en dan kon je nooit, nooit en nergens dat licht vinden en bij het vroolijke kon je nooit meer komen. Blind! Het diertje zou stekeblind zijn; alles zou donker worden, dik donker, zwart…. “Zoo’n beul!” siste Ries en hij had zijn woede en verdriet wel willen uithuilen.
Had hij ’t dier toch maar niet gegrepen die middag, of had hij ’t maar laten vliegen, toen Dirk ’t kooitje zocht. Maar hij had het vastgeklemd en gedacht: “Nou heb ik je, nou kom je niet meer los, nooit!”….
Neen, ’t was waar, nou kwam ’t diertje nooit meer los. Hij had ’t gedaan, hij zelf!....

Blz. 52
“Dirk,” vroeg hij met vreemde, onvaste stem, “Dirk, doe-je ’t nou vast,neen nie-waar?”
Dirk grijnsde. “Zoo zeker als dat ‘k jou een pak slaag geef, als je weer op zolder durft komen.”
“Ja maar”….
“Niks geen “ja maar”…. ‘k Zal er een fijn vogeltje van maken, zal je eens zien. Nou doet het geen mond open, maar dan…. dan zal ’t zingen als een nachtegaal. Dan heeft ’t niks anders te doen, snap-je? Dan kan ’t z’n eigen vroolijk zingen.”
Ries beefde.

Blz. 53
“Ja maar…. Dan wordt-ie blind, en dat….”
“Blind? Nou, dat moet-ie juist zijn, dan zingt-ie mooier…. Als ‘k tien vinken had brandde ik ze allemaal de ogen uit; wat zou het? Ik ben toch mijn eigen baas….”

Blz. 59
Dirk!.... “Zou-d-ie ’t nou doen gaan, of zou-d-ie ’t al gedaan hebben?” Toen kwam Ries’ moed terug.
De angst voor de schitteroogjes, die voor altijd zouden dichtgebrand worden, verjoeg de vrees voor het deftige huis en voor de deftige heeren.

Blz. 63
Maar ’t dier zelf dan? Dat stakkertje, met dat zachte, warme lijfje, dat hij eens in zijn handen had voelen kriebelen, met die zwart-en-gouden oogjes, die zoo angstig schitterden?
Ries had gebeden, en – ook begrepen, dat er nog iets was, dat hij proberen kon; al was ’t ook nog zoo gevaarlijk. Hij wilde ’t vinkje redden, als het nog te redden was, en – was de vreselijke daad reeds begaan, dan…. dan zou hij het dier doodslaan en ’t uit zijn lijden verlossen. Beter dan nog een dood vinkje, dan een blind vinkje.

Blz. 74
De vink, zijn vink, Ries’ eigen vink, fladderde angstig rond.
“Stil maar hoor!” vleide Ries’ stem, “nou behoef je niet bang meer te zijn…. Ik zal je geen kwaad doen. Doet je oog nog pijn?” Het eene ooglid was al geschroeid. Dirk was klaarblijkelijk reeds met zijn wreede operatie begonnen, maar gestoord geworden…. De oogjes, die gouden en zwarte en blauwe schitteroogjes, met de fijne vlammende lichtjes heel diep, die oogjes zoo onzegbaar mooi, ze waren behouden. Ze blikten angstig nog, maar – ze leefden en schitterden….
Even had Ries er nog aan gedacht de vink te behouden, hem op te hangen boven de achterdeur tusschen het klimop,…. Maar hij had zijn hoofd geschud, kwaad op zichzelven. Was ’t diertje dáárvoor gered?
Eenmaal nog wilde hij dat warme, wriemelende lijfje in zijn handen voelen; eenmaal nog dat zachte, weeke, levende liefkoozen in z’n vingers, dat fijne, gladde kopje strelen; nog eenmaal die mooie
schitteroogjes zien, diep, heel diep…. en dan….
Ries haalde voorzichtig ’t angstige diertje uit de kooi, streelde ‘t. liefkoosde ‘t,…. o die oogjes, die fijne vlammende schitteroogjes!....
Flap!.... Ries’ handen openden zich wijd en zijn hart zwol van blijde vroolijkheid. Zijn oogen schitterden…. ’t Vinkje weifelde, vreemd in zijn plotselinge vrijheid.
Toen schoot ’t weg, wipte op een tak, even maar, verdween ver, vèr in de blauwe lucht….